Laatste dienst is een verhaal dat ik heb geschreven voor de Editio Debutantenprijs. Achteraf realiseer ik mij dat het misschien iets te macaber is als inzending:) Ik heb erg genoten van het schrijven van dit verhaal.
Laatste dienst
‘Daar bent u eindelijk,’ zegt ze nog voor ik binnen ben. ‘Fijn dat u er bent.’
In het huis ruikt het muf, zweterig, meer dan een vleugje ongewassen man.
Een vlezige dame, waarschijnlijk de moeder, gaat mij voor. ‘De dokter is er,’ zegt zij iets te vrolijk voor de omstandigheden. Ik hoor wat gemompel vanuit de kamer.
Al zeker zeven jaar kom ik bij de mensen thuis om de spreekwoordelijke stekker eruit te trekken. De contouren zijn altijd hetzelfde, maar de ingrediënten wisselen.
Deze keer heeft de moeder een taart gebakken, die staat te pronken in de kamer.
‘Wilt u een stukje, dokter? Zelf gebakken.’ De vrouw waggelt richting de tafel. Ze draagt een blouse met vetvlekken op de buik, haar armen glanzen van het zweet. Een vrouw die haar hele leven geprobeerd heeft het juiste te doen, met bloem en suiker, met zwijgen en veel glazen wijn. Nu schuifelt ze met een taart. Geen woorden meer. Alleen nog glazuur en opgeklopte room.
‘Ik wil meneer eerst even zien,’ brom ik.
De kamer is vol. Tientallen ogen draaien mijn kant op. Ik knik wat links en rechts, brom iets onverstaanbaars en nader dan het bed. Daar, naar het raam gericht, ligt de vleesgeworden ellende. Zeker honderdtwintig kilo, uitgezakt onder een doorweekt shirt. Zijn rood aangelopen hoofd, parelend van het zweet, draait mijn kant op.
‘Hallo dokter,’ zegt hij met een uitgebluste stem.
‘Goedemiddag Gerrit,’ zeg ik. Lege ogen draaien zich naar mij toe, een klam handje volgt.
‘U weet waarvoor ik kom?’ Altijd belangrijk om deze vraag te stellen.
‘Ik wil gewoon niet meer dokter,’ zucht de man terwijl zijn ogen alweer zijn afgedreven.
Dit soort situaties zie ik vaker. Vroeger had hij misschien ambities. Een werkende man, net niet dom genoeg om dom te zijn, net niet slim genoeg om iets af te maken. Geen partner, geen doel, geen reden om op te staan. Eerst ging de baan, toen de huurwoning. Toen kwamen de middagen in joggingbroek. Als je lang genoeg stil ligt, wordt leven vanzelf een last.
Een homp taart verschijnt voor mijn gezicht. ‘Kijk eens dokter, lekker hoor.’ Ik neem het schoteltje aan en zet het naast mij. Ik kijk de man weer aan.
‘Je weet dat er geen weg terug is als je dit doet?’ Gewoon even vragen. Het zou zonde zijn als ik hier voor niets ben — weer terug naar huis, zonder resultaat. Ik pak het schoteltje, snijd een hoekje van de slagroomklomp en wacht het antwoord af.
‘Ik weet het zeker, dokter. U bent denk ik de enige die mij kan helpen.’
Heerlijk dat moment. Die machteloze overgave. Ik kan een rilling maar net onderdrukken.
‘Weet je hoe het werkt?’ vraag ik hem, terwijl ik mijn tas open en de benodigdheden eruit haal.
‘Gaat u gif gebruiken?’ Zijn vadsige hoofd draait zich richting mijn handen, naar de ampul die ik vasthoud. ‘Is gif echt nodig?’ fluistert hij zacht.
‘Gaat het nu echt gebeuren?’ Een angstige stem. Gehuil volgt. ‘Verdomme Gerrit.’
‘Maar dokter,’ zegt diezelfde stem. ‘Moet er niet nog iets ingevuld worden? Een formulier? Een wilsbeschikking, zoiets?’
Ik draai mij langzaam om. Een man rond de vijfenveertig, vast een goede vriend. Zijn ogen tranen, zijn lijf strak van de spanning.
‘Wilsbeschikkingen, daar begin ik niet aan,’ zeg ik rustig. ‘Dat station is Gerrit al gepasseerd.’ Ik haal een ampul uit mijn tas, tik even tegen de bovenkant. ‘Als papierwerk had geholpen, zat ik hier nu niet.’
‘Dus zonder iets op papier… Bent u wel een echte dokter?’
Een pijnlijke vraag, maar terecht. Nee, ik ben geen dokter. Ik maak geen mensen beter. Ik los alleen dingen op. Definitief. Ik zie het graag als ambacht. Ik streef tenslotte perfectie na. Vorige maand was er een meisje van zevenentwintig. We hadden alles voorbereid: lavendelolie op haar kussen, zachte muziek. Ze bood me thee aan. Terwijl ze de beker aanreikte, trilde haar hand nauwelijks. Haar ouders zaten in de tuin te roken. “Zeg maar wanneer,” had ze gefluisterd. Het was perfect. Ik kan er nog van genieten. Een rilling trekt over mijn rug. Ik kan het maar net verbergen.
Ik pak de spuit uit mijn tas, pak een nieuwe naald, trek de verpakking open en bevestig deze op de spuit. Ondertussen praat de man door.
‘Gerrit, dit is niet goed hoor. Ik weet dat je een moeilijke tijd hebt, en ik weet dat ik niet altijd een goede vriend ben geweest, maar… Dat kunnen we toch uitpraten? Dit is echt niet oké.’
Hij kijkt naar de vloer terwijl hij het zegt, alsof hij weet dat hij te laat is met zijn woorden.
Naast mij klinkt een zucht. ‘Freek, laat het nou.’
Heerlijk. Ik hoef verder niets te zeggen. Het slachtoffer verdedigt zijn eigen executie.
‘Maar dit kan toch niet? Je kan je toch niet gewoon laten platspuiten door deze gifmenger?’
Achter mij barst het protest los.
‘Ho ho, Freek, laten we het ook een beetje leuk houden. Gerrit heeft er zelf voor gekozen, hè? Laten we dan-‘
‘Leuk houden?’ brult Freek nu, rood aangelopen, zweet op z’n voorhoofd.
Ik heb in mijn tas nog een reserve ampul. Gewoon voor het geval dat. Misschien struikelt Freek straks zomaar in mijn richting?
‘Hij spuit zo een of ander gif in je zoon en jij hebt het over leuk houden?’
‘Stief-zoon, hè?’ hoor ik iemand snauwen. Geen slimme opmerking. De discussie explodeert.
Ik hou me er buiten. Ik kwam hier niet om te bemiddelen. Ik zuig de vloeistof uit de ampul, trek de naald eruit. Misschien moet ik Freek laten zien hoe gek ik echt ben? Ik draai de injectienaald, punt naar boven. Freek, verwoed in discussie, beweegt zijn hoofd naar mij toe. Ik kijk hem strak aan. Een flinterdunne glimlach trekt langs mijn mondhoek. Een straaltje ontsnapt uit de naald. Theatraal misschien, maar effectief. Freek ziet het.
‘Zien jullie het niet, die vent is gek! Kijk wat hij doet, hoe hij kijkt.’
Gerrit wenkt me, te vermoeid om nog hardop te praten. ‘Misschien… kunnen we nog even wachten?’ fluistert hij.
Wachten? Geen sprake van. Ik ben gekke Gerritje niet.
De kamer om mij heen ontploft. Geschreeuw, gekrijs – misschien zelfs een gevecht. Maar niemand kijkt naar mij.
Ik beweeg de naald richting zijn hals. Die ader in zijn hals schreeuwt erom, maar in de rechterarm is effectiever.
Ik pak deze vast.
‘Het spijt me,’ fluistert Gerrit. ‘Ik wil niet.’ Zijn ogen groot, zijn stem verloren in het lawaai.
Ik kijk snel om mij heen. Freek en de stiefvader vechten. Anderen schreeuwen door elkaar.
Tussen het geschreeuw door schuifelt Gerrits moeder met de taart. ‘Nog iemand een stukje?’ Haar stem trilt. Niemand lijkt haar te zien of te horen.
Niemand let op mij.
Iemand duwt. Freek struikelt achteruit, armen graaiend naar iets wat er niet is. Zijn arm slaat uit — de taart vliegt van het dienblad. De kleine ruimte ontploft van het geluid.
Dit is mijn kans.
Gerrit trekt zijn arm terug, maar ik ken dit spel. Ik klem hem stevig tussen mijn benen en grijp hem onder zijn oksel.
‘Ik wil niet,’ zegt hij, iets luider nu. Ogen wijd en spieren gespannen, hij probeert zich los te wrikken.
Niemand hoort hem.
Ik zet de punt op de ader -dikker nog dan die in zijn hals. Dan stoot ik hem door zijn huid. Diep genoeg.
‘Nee, dokter, alsjeblieft,’ zucht hij, maar het is krachteloos, zoals de hele man.
Ik duw de injectienaald in, de vloeistof verdwijnt in zijn arm.
‘Ik wil niet dokter. Ik wil niet. Ik wil…’
Een warme golf. Het trekt door mijn lijf als een fluisterende storm. Mijn adem stokt, mijn hart verslikt zich even. Dit is wat ik zoek. Dit is waarom ik besta.
Ik kreun misschien. Trillen, dat ook. Het zou mij niet verbazen.
Na enkele momenten, minuten misschien wel, sterft het geluid om mij heen. Alsof de kamer zijn adem inhoudt. Gerrits blik blijft hangen maar zijn ogen worden al dof.
‘Is het… is het gebeurd, dokter?’ hoor ik de moeder vragen.
‘Zeker,’ zeg ik, mijn stem zo vlak mogelijk. Mijn blik ernstig.
Ik wil het uitschreeuwen, zo goed voelt dit. Maar ik hou me in.
‘Gerrit kan jullie nog horen.’ Ik sluit mijn ogen en haal even diep adem. ‘Over een kwartier is dat voorbij. Wees nu lief voor hem.’ Ik doe een stap opzij en laat ze hun gang gaan.
Ik ruim mijn spullen op. Spuit. Ampul. Doekje. Niets vergeten.
Buiten wacht de stilte. Of misschien wel koffie.
Even weer mijn ogen dicht. Mijn hartslag danst, mijn vingers tintelen.
Dit is het. Beter wordt het niet.
Of ik glimlach? Dat zou zomaar kunnen.